Mijmeringen over de gezinstafel

Stilaan opnieuw examentijd. De lessen lopen op hun einde. Onze studenten die tijdens de week op kot zitten, blijven ineens al thuis deze week. Een leuke verrassing, nu manlief voor zijn werk in het buitenland zit.

Als ik eerlijk ben, ik geniet van die blok- en examenperiode. Ik mag het hen wel niet te veel zeggen. Ik geniet van die tijd, omdat het die periode van het jaar is, waarin we het meest samen aan tafel zitten. De drukke programma’s van eenieder tijdens het jaar vallen stil en er is maar één focus: studeren en op de gepaste, vaste tijden, samen eten. De tafelmomenten, vaak hun enige pauzes, worden in die periode de momenten van samen lachen, samen babbelen, ook samen huilen. Favoriete bezigheid is bovendien lachen met vader en moeder, maar ik gun hen die ontspanning ten volle.

Het doet mij ook terugdenken aan mijn kinderjaren. Ons gezin was gekend voor het lange tafelen. Het waren de momenten dat we de samenleving gingen veranderen en er heftig gediscussieerd werd over mens en maatschappij. Als jongste spruit van 7 ging het soms mijn petje te boven en probeerde ik er mij er wel ‘ns tussen te slaan, maar ik weet vooral dat ik genoot van dat gezellig samen zijn.

Tegelijkertijd komen ook de herinneringen naar boven wanneer het niet zo leuk was aan tafel. Er waren evengoed de momenten dat de spanning tussen mijn ouders te snijden was omdat moeder niet klaar was met het eten en vader op tijd terug naar zijn werk moest. Heel het gezin was stil. Er waren ook de keren dat één van de pubers woedend wegliep van tafel omdat hij of zij niet akkoord ging met de afspraak. Of het eindeloos geduld hebben tot één van de kinderen toch minstens één lepel soep moest proeven en niemand die toegaf….

Mijmeringen die boven komen na het zien van de campagnefilm van de Week van de Opvoeding 2017 : Wat als een gewone tafel iets bijzonders wordt?

Een rode draad loopt doorheen mijn mijmeringen: het is het samen even stil staan bij…, het samen tijd maken voor…, het samen dingen uitspreken…die zo essentieel zijn bij het opvoeden. Niet de vraag of we de juiste opvoedingstheorie hebben toegepast, niet de vraag of het verjaardagsfeestje wel speciaal genoeg was, niet de bekommernissen omdat een vriendin het juist anders gedaan heeft met haar zoon of dochter… Er vooral ZIJN voor elkaar, met vallen en opstaan.

Onlangs had ik een korte gedachtewisseling met iemand rond wat opvoeden nu eigenlijk is. Het was naar aanleiding van mijn blog rond de pedagogische tik, die ik liever pedagogische onmacht noem. Ze wees mij er op dat ze nu toch vooral aan haar kinderen meegaf dat opvoeden vooral je buikgevoel volgen is. Niet te veel nadenken! Ik twijfelde een beetje. In se ben ik het er volledig mee eens, maar anderzijds leek het mij een beetje te simpel, zomaar altijd je buikgevoel volgen?

Misschien kan ik door het reflecteren bij de campagnefilm van de week van de opvoeding, dat buikgevoel een beetje beter kaderen. Opvoeden is dan vooral jezelf zijn, luisteren naar wat je denkt en van daaruit er ook zijn voor de kinderen: goesting hebben om iets gezellig te doen, voelen dat je kind niet lekker in zijn vel zit, efkens gerust gelaten willen worden, ergens weten dat je je puber beter toch laat merken dat je het niet met hem eens bent… Maar misschien nemen we soms onvoldoende de tijd om dat buikgevoel te laten spelen en laten we ons overrompelen door de rush van de dag, door enkel te bespreken wat evident is, door het kiezen van de gemakkelijkste weg. Ik vermoed dat het daarom is dat ik even twijfel bij het volgen van je buikgevoel.

Een tafel kan echt heel bijzonder worden en is het ook heel vaak! Ik hoop dat de Week van de Opvoeding voor velen van jullie een kans was om gewoon even stil te staan bij jezelf, bij de kinderen, bij het samen delen met elkaar.

Advertenties

Het nieuwste opvoedingsadvies : volg je buikgevoel!

Ik zag het gisteren al aankomen toen ik het artikel las in De Morgen naar aanleiding van uitspraken van de Britse sociologe Macvarish. Ze wil komaf maken met alle opvoedingsadviezen, voorbijgaan aan alle experten en aan ouders het opvoedingsadvies geven ‘volg je buikgevoel’. Tiens, sociologe Macvarish is tegen opvoedingsadviezen, maar tegelijkertijd geeft ze er zelf één! Heel even kwam er wat beroepschauvinisme in mij op. Ja, ik heb vijf jaar pedagogische wetenschappen gestudeerd en dan is het uitgerekend een socioloog die een dergelijk forum krijgt? Absoluut alle waardering voor sociologen, maar soms vind ik ‘schoenmaker blijf bij je leest’.

Ik wou niet echt reageren, ik dacht dat het zou overwaaien. Vandaag echter wordt er in De Standaard uitgebreid op ingegaan. De aandacht die er aan gegeven wordt, is dus blijkbaar toch groot. Inclusief een kadertje over Kind en Gezin: ‘Kind en Gezin wil af van betutteling’.

En ja, het is zoeken naar een continu evenwicht tussen ondersteuning en betutteling. De tijd van het ongewild geven van opvoedingsadviezen ligt grotendeels achter ons. De houdingvan de expert die het allemaal veel beter weet: er wordt hard aan gewerkt om dat achterwege te laten.

Maar zou er ook iets kunnen zijn aan de kant van de ouders? Zou het kunnen dat ze hun onzekerheid soms projecteren op de mensen die hen goed bedoeld willen ondersteunen? Zou het kunnen dat ze het soms verdorie lastig vinden om in de drukte van het leven toch ook te proberen een zo goed mogelijke moeder en vader te zijn?En dat dit gepaard gaat met de nodige frustraties? Het is hun absoluut recht, en het is meer dan normaal. Ik ken die momenten ook. Ik ga akkoord om bij het erkennen van deze onzekerheid en bij het erkennen van de frustraties even stil te staan bij je buikgevoel, maar ik kan niet akkoord gaan dat je daarom ook gewoon alle opvoedingsadviezen moet buitengooien.

En dat is net waar we ook met Kind en Gezin naar op zoek zijn. Erkennen dat ouders in al hun kunnen en weten absoluut het beste willen voor hun kinderen. Erkennen dat ouders zelf kiezen waar ze in de opvoeding vooral voor willen gaan. Maar daarnaast is er ook nog het belang van het kind en het erkennen dat je als ouders een enorme verantwoordelijkheid hebt om kinderen zoveel mogelijk kansen te geven.

En is dat dan bijvoorbeeld het belang van voorlezen? Ja, dat kan een heel belangrijke suggestie zijn voor bepaalde ouders. Voorleesmomenten kunnen heel verrijkend zijn, zowel voor kinderen als ouders. Er wordt gespeeld met taal, er wordt affectie gegeven door heel gezellig met het kind in de zetel te zitten, er wordt rust gecreeërd… Is voorlezen daarom het enig zaligmakende? Ik denk het niet.Ik denk ook niet dat er ooit een medewerker van Kind en Gezin gecontroleerd heeft of een ouder al ofniet voorleest. Maar voor sommige ouders kan het rustgevend zijn om hierover van gedachten te wisselen. En is het dan belangrijk dat het kindje op zijn rug wordt gelegd? Als je weet dat we daardoor per jaar meer dan 70 levens redden, dan denk ik dat we ook die verantwoordelijkheid hebben.

Eigenlijk krijg ik bij dit alles ook een beetje het gevoel dat we “fact and figures” aan het ontkennen zijn, zoals wel nog meer gebeurt de laatste tijd en niet door de minsten. Laten we het belang van bepaalde inzichten in opvoeden nu niet overboord gooien, want dan vind ik persoonlijk dat ik mijn verantwoordelijkheid ontloop. Ouders ondersteunen in hun vragen en onzekerheden, is voor mij nog steeds het belangrijkste.

Niet tegen de schenen schoppen, maar handen in elkaar slaan

‘Sociaal pedagoge schopt ouders tegen de schenen. Lastig kind is schuld van mama en papa’, Het Nieuwsblad, 30 januari 2017.

Kinderen hebben hun ouder(s) nodig om te groeien en te ontwikkelen. De keuze voor een kind betekent de keuze voor de ouderrol en de taken die daarbij horen. Elke dag opnieuw ervaren onze 800 verpleegkundigen en gezinsondersteuners dat ouders het heel goed willen doen, met en voor hun kinderen. Laten we ouders dus in de eerste plaats erkennen voor wat ze doen. En niet tegen de schenen schoppen.

Ouders staan vandaag voor een erg uitdagende en veeleisende opdracht. De maatschappij verwacht van hen dat ze met heel wat ballen tegelijk jongleren. Een evenwichtige combinatie van werk en gezin, een gedreven en flexibele inzet op het werk, een stabiele partnerrelatie, betrokkenheid bij de school, de vrije tijd en de hobby’s van de kinderen, ruimte voor familie, vrienden en de eigen persoonlijke ontwikkeling, … Niet evident. Begin juni 2016 berichtte de VRT over hun eigen bevraging dat 1 Vlaming op 4 werk en gezin nauwelijks gecombineerd krijgt. In onze dagelijkse ontmoeting met ouders zien en horen we hoe vaak zij schuldgevoelens hebben om wat allemaal ‘moet’ of zou moeten, wat van hen verwacht wordt en wat ze niet alleen klaargespeeld krijgen.

We willen ouders in de eerste plaats ondersteunen en geruststellen dat goed genoeg ook goed is. Daarnaast willen we een lans breken voor een ruim en ondersteunend netwerk voor kinderen én ouders. Het scheppen van maximale kansen voor jonge kinderen ís een belangrijke gedeelde verantwoordelijkheid voor gezinnen én voor de samenleving. Wat zich voor de voordeur en rond het huis afspeelt, bepaalt mee de toekomst, het welzijn en de gezondheid van jonge kinderen. De Conferentie “De Toekomst is Jong” van 6 oktober 2016, op initiatief van minister Vandeurzen, reikte handvatten aan voor een sterker gezinsondersteunend beleid. Een lokale, wijkgerichte verankering, verbreedt de leefwereld van kinderen en verbindt hen met andere kinderen en gezinnen in de buurt. In een Huis van het Kind kunnen ouders elkaar ontmoeten, in de kinderopvang kunnen kinderen zichzelf zijn, in de bibliotheek vinden gezinnen niet alleen een rijk aanbod lectuur en informatie maar ook leesactiviteiten zoals bv. voorleesmomenten. En dit zijn slechts enkele voorbeelden.

Kinderopvang is een onmiskenbaar deel van het netwerk rond gezinnen en is er wel degelijk ook voor het welzijn van de kinderen. De kinderopvang heeft zich hier de voorbije jaren op toegelegd via de versterking van zijn pedagogische en sociale functie. Samen met de ouders geeft kinderopvang mee gestalte aan de opvoeding en het welzijn van kinderen. In de kinderopvang maken kinderen kennis met de buitenwereld, leeftijdsgenoten, het leven in groep. Ouders komen in contact met medewerkers en andere ouders van kinderen met dezelfde leeftijd. Die contacten zijn voor veel ouders een belangrijke bron van informatie en steun. Het creëert verbondenheid en het integreert hen in hun buurt. Kinderopvang vandaag verengen tot de economische functie is dus achterhaald.

Kind en Gezin wil zo veel mogelijk kansen creëren voor elk kind waar en hoe het ook geboren is of opgroeit. Samen met al onze partners, elke dag opnieuw.

 

Met een ruime visie op taal komen we het verst

De resultaten van het laatste Pisa-onderzoek liegen er niet om. Ons Vlaamse onderwijs is sterk, heel sterk zelfs. En daar mogen we trots op zijn. Maar een keerzijde die elke keer opnieuw naar boven komt, is de grote kloof tussen de sterkst presterende leerlingen en de zwakst presterende leerlingen. En we slagen er niet in die kloof te verkleinen.

Snel wordt dan gekeken naar de kenmerken van de zwakst scorende groep. En wat blijkt? Het zijn de leerlingen die thuis een andere taal spreken dan het Nederlands die het zwakst scoren. Bij 26,5% van de kinderen geboren in 2015 is het Nederlands niet de taal die het kind met de moeder spreekt. En elk jaar stijgt dit cijfer.

Het antwoord lijkt dan ook heel simpel. Zorg dat kinderen en hun ouders zo snel mogelijk Nederlands leren en het probleem is opgelost.

Helaas, zoals bijna altijd, is het antwoord niet zo simpel. En ja, zoals bijna altijd, is het antwoord een en-enverhaal.

Kind en Gezin legde de laatste jaren een traject af waarin we ons de vraag stelden en blijven stellen hoe we ouders van jonge kinderen zo goed mogelijk kunnen ondersteunen op het vlak van taalstimulering. We weten immers heel goed dat kwetsbare kinderen heel snel een taalachterstand opbouwen. Op elke studiedag over kwetsbare kinderen is er wel één spreker die vermeldt dat kinderen uit hogere sociale klassen starten met een woordenschat die bestaat uit 1200 woorden, terwijl kinderen uit kwetsbare gezinnen starten met een woordenschat die bestaat uit 400 woorden. Dit maakt dat kinderen uit kwetsbare gezinnen inderdaad met een enorme achterstand aan de school beginnen.

Het antwoord vertaalden we in onze visietekst ‘Taalstimulering en meertaligheid’ .
Centraal staat de vaststelling dat het een en-enverhaal is. Enerzijds is de waardering van de thuistaal/thuistalen in het gezin cruciaal. Kinderen die een sterke basis hebben in hun thuistaal, zullen beter Nederlands leren. Ouders mogen hun kinderen aanspreken in hun eigen taal, want zo kunnen ze veel rijker communiceren met hun kinderen.

Hoe zijn we zelf als we onze emoties willen uitdrukken, als we anekdotes vertellen, als we herinneringen ophalen?We grijpen terug naar onze moedertaal. Als we de moedertaal onderdrukken, onderdrukken we alle kansen om kinderen taalvaardig te maken. We duwen ouders in de hoek van schuldgevoelens en angsten om te communiceren, want we peperen ze voortdurend in dat enkel Nederlands mag. Omdat ze het niet volledig beheersen, durven ze het niet te praten. Door de erkenning van de thuistaal kunnen we de cirkel van schuld en angst doorbreken en ouders versterken in hun eigenwaardegevoel.

Met de erkenning van hun thuistaal, die een erkenning is van hun identiteit, zullen we de basis leggen om ook het Nederlands te leren. En laat het duidelijk zijn: de erkenning van de thuistaal gaat absoluut samen met de noodzaak om ook het Nederlands te leren. Alleen creëer je door een combinatie van beide een veel groter draagvlak en fundament om voldoende taalvaardige kinderen te krijgen.

En laten we dit debat dan ook niet enkel zien als een onderwijsverhaal. Het begint al vanaf de wieg, met het belang om op een positieve, rijke manier te communiceren met je kind, vol van emoties, vol van betekenissen, vol van belevingen. Dit zal zijn vruchten afleveren bij de verdere ontwikkelingen van het kind, zolang het zich gerespecteerd voelt in wie het is en wie het mag zijn.

Voor wie wil, is er heel wat materiaal om deze visie om te zetten in de dagelijkse praktijk: http://www.kindengezin.be/brochures-en-filmpjes/filmpjes/ontwikkeling/taal/

Zindelijkheid: kansen voor bruggen tussen gezinnen, kinderopvang en onderwijs

Om de zoveel tijd herneemt het debat rond de zindelijkheid van onze jongste peuters. Heel snel komen we dan in de polarisering terecht van de ouders die minder bezig zijn met de zindelijkheid van hun kinderen en de kleuterleiders die niet anders mogen doen dan natte broekjes vervangen en kinderen op het potje zetten. Een dergelijke situatie is niet langer houdbaar en dus moet er meer “getraind” worden op die zindelijkheid.

Toevallig heb ik vanmorgen een aantal gesprekken bijgewoond waarbij onze regioverpleegkundige met ouders het gesprek aanging rond hun inschrijving in de kleuterschool en de vraag of hun kindje al zindelijk was of niet. Alle kindjes van 30 maanden waren ingeschreven in de kleuterschool, wat we alleen maar kunnen toejuichen omwille van het belang van kleuterparticipatie. En inderdaad, de meeste van de kindjes waren nog niet zindelijk maar ouders waren er wel degelijk mee bezig. Ze waren bezorgd over de zindelijkheid en de overgang naar de kleuterschool.

Zoals zo vaak is het antwoord op deze thematiek veel genuanceerder dan de polarisatie en gaat het nog maar eens om een gedeelde verantwoordelijkheid van gezinnen en al wie betrokken is bij de ontwikkeling van jonge kinderen.

Vanuit Kind en Gezin benadrukken we in elk geval dat er heel grote verschillen zijn tussen kinderen als het gaat over zindelijk worden en dat het heel belangrijk is om het ritme van het kind te volgen. Zindelijkheid hoef je niet zozeer te “trainen”, maar wel te stimuleren en aan te moedigen als het kind er aan toe is. We ondersteunen ouders hoe ze signalen van hun kind in verband met zindelijkheid kunnen herkennen, zodat ze er actief kunnen op inspelen.

Belangrijk in dit debat is dat de instap in de kleuterschool veel te vaak en ook enkel gezien wordt als iets waar de kleuter klaar moet voor zijn als het op zindelijk zijn of slapen aankomt. Dat legt meteen ook het accentverschil bloot tussen wat er vóór de kleuterschool gebeurt en wat er in de kleuterschool zelf gebeurt. Ervoor ligt het accent blijkbaar vooral op het zorgen voor het kind, ongeacht of het nu thuis, in het gezin of in de kinderopvang is. In de kleuterschool zelf ligt het accent blijkbaar eerder op het leren. Dit is een behoorlijke accentbreuk. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat die accentbreuk voor peuters en hun ouders soms als problematisch ervaren kan worden. Zelfs in die mate dat het invloed kan hebben op het verder schoollopen van het kind en de relatie tussen de school en het gezin.

Juist omdat we ons zowel vanuit welzijn als vanuit onderwijs meer en meer bewust zijn van deze breuklijn, willen we samen het accent verleggen naar het werken aan een warme overgang tussen het gezin, de kinderopvang en het kleuteronderwijs. Vanuit deze visie zien we de instap in de kleuterschool als een langere periode van voorbereiding en gewenning, zowel ervoor als erna.

We zoeken hoe we meer bruggen kunnen slaan en hoe we van elkaar kunnen leren, zodat we samen zorgen voor de ontwikkeling van onze peuters, die zowel zorg als leren inhoudt. Dat vergt een nauwe samenwerking, zowel tussen de medewerkers van Kind en Gezin, de kinderopvang, de kleuterscholen als de ouders. En er zijn al heel mooie praktijken. Er zijn knappe voorbeelden waar Huizen van het Kind, Kind en Gezin, kleuterscholen, het CLB en ouders samenwerken rond zindelijkheid en rond de instap van kleuters in de kleuterschool. Er zijn voorbeelden waar kinderen uit de kleuterschool op de middag in de kinderopvang terecht kunnen.

We zijn er nog niet. We hebben zeker begrip voor de kleuterleiders die met hun handen in het haar zitten als ze voor een grote klas kleuters staan en opgeslorpt worden door de plasjes en de potjes. Maar de synergie tussen ouders, kinderopvang en onderwijs is ingezet. We moeten die weg verder bewandelen en niet te veel polariseren.

 

De Toekomst is jong!

Een betere titel hadden we niet kunnen vinden voor onze studiedag van morgen “De toekomst is Jong”.
Een tijd geleden kregen we van onze minister de vraag om een conferentie te organiseren waar nieuwe ideeën aan bod zouden komen rond hoe we nog! beter kunnen investeren in jonge kinderen. We zijn er met heel wat mensen in gevlogen en morgen is de lang verwachte dag dat we met gastvrouw Sien van Ketnet onze resultaten mogen presenteren. Een dag waaraan hard gewerkt is door mensen betrokken op welzijn ,onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, kinderrechten, sport, ….kortom allerlei domeinen waar kinderen mee te maken hebben.

Streven naar een samenleving waarin alle kinderen gezond kunnen opgroeien, zich veilig en welkom voelen, een stem hebben en ten volle kunnen uitgroeien tot geëngageerde volwassenen, vormt een wezenlijke rode draad doorheen de conferentie. Die samenleving van de toekomst, wordt hier en nu gebouwd. Het gebeurt dagelijks, met vallen en opstaan in
de kinderopvang, het onderwijs, bij organisaties die met kinderen en ouders samenwerken, in het samenleven en -wonen in elke buurt en in de grote en kleine beleidsbeslissingen. We willen zoeken hoe we dit nog met een grotere betrokkenheid en zorgvuldigheid kunnen doen. Kinderen hebben dan wel het recht om een volwaardige burger te worden, niet ieder kind heeft daar evenveel kansen en mogelijkheden toe.

Spreken over kinderen is ook spreken over ouders. Het is dan ook belangrijk dat we binnen onze samenleving zorgen voor voldoende kansen voor kinderen en ouders zodat zij de keuzes kunnen maken die zij belangrijk vinden.

Deze uitgangspunten houden belangrijke consequenties in. Een eerste is dat we het samen-leven moeten ondersteunen door ruimte te maken voor betekenisvolle relaties tussen diverse groepen van kinderen en gezinnen en vooral met de buurt waarin kinderen opgroeien. In diezelfde buurt moeten we zoeken naar sterke verbindingen tussen verenigingen, organisaties en de lokale gemeenschap, die allen betrokken zijn op jonge kinderen.
Een tweede belangrijke consequentie is dat we blijvend alert moeten zijn voor de samenhang tussen praktische, materiële en meer positeve, immateriële ondersteuning voor ouders en kinderen. Die moet zowel voldoende als ‘nabij’ zijn. Hierbij is het van groot belang dat we dit aanbieden voor iedereen, maar met de nodige accenten voor wie meer nodig heeft, vanuit
een proportioneel universele visie. Bovendien leggen we accenten op een wijkgerichte en participatieve benadering om er voor alle ouders en kinderen op een betekenisvolle
manier te zijn.

Ik hoop dat de conferentie morgen de nodige handvatten aanreikt voor een sterker gezinsondersteunend beleid, gedragen door een breed maatschappelijk partnerschap. In elk geval heel benieuwd naar wat zal blijven bovendrijven en hopelijk voer voor een nieuw blog!

Interlandelijke adoptie: de illusie van de maakbaarheid

“Ofwel stop je met interlandelijke adoptie ofwel organiseer je het.” Een terechte vraag in de open brief van de kandidaat-adoptieouders. Kind en Gezin organiseert al 25 jaar interlandelijke adoptie, met vallen en opstaan. En al 25 jaar is het een hot item. We merken wel dat de laatste jaren de onzekerheid voor de kandidaat-adoptieouders groter geworden is. Maar het is een illusie te denken dat we vanuit Vlaanderen interlandelijke adoptie volledig kunnen beheersen. Interlandelijke adoptie zoals we het tot nog toe kenden, staat onder zware druk.

Eén van de belangrijkste oorzaken van deze druk is de steeds veranderende context in de herkomstlanden. Veel landen implementeren het Haags Adoptieverdrag, waar ze de nodige tijd voor moeten krijgen (het heeft België 12 jaar gekost). In andere landen, waar de overheid minder controle uitoefende, komen misbruiken aan het licht. Deze landen zien zich genoodzaakt alles stil te leggen om orde op zaken te stellen. De nieuwe wetgeving in Oeganda en de reorganisatie in Ethiopië illustreren dit. Meer controle en een duidelijker kader voor interlandelijke adoptie is de bedoeling. We kunnen dit principe alleen maar toejuichen. Het blijft ongelooflijk ingrijpend om kinderen uit hun land weg te halen. Laten we dus inderdaad eerst grondig onderzoeken of het kind in eigen land geen kansen heeft om op te groeien in een warme, stimulerende leefomgeving.

Het Haags Adoptieverdrag zorgde voor een veel sterkere controle op adoptabiliteit (“zijn al nodige toestemmingen vrijwillig gegeven”) en subsidiariteit (“eerst een oplossing in eigen land, dan pas interlandelijke adoptie”). Herkomstlanden, ook als ze het Verdrag niet implementeren, wijzigen hun wetgevingen en structuren. Soms zonder rekening te houden met lopende procedures.

We begrijpen dat het voor kandidaat-adoptieouders die in een dergelijke context een kind willen adopteren het wachten, zonder enige zekerheid, bijzonder frustrerend kan zijn. We hebben het grootste respect voor hen. Na al die jaren kunnen we alleen maar vaststellen dat we onzekerheid niet kunnen vermijden. We kunnen kandidaat-ouders geen uitsluitsel geven over hoe lang iets zal duren noch beloven dat er niets zal veranderen in de herkomstlanden. Je kunt dan wel vanuit Vlaanderen met zoveel mogelijk adoptiekanalen aan de slag gaan, de onvoorspelbaarheid blijft.

Een bevoegdheidsherverdeling in België kan een aantal zaken vereenvoudigen maar dat zal niet al deze moeilijkheden oplossen. Vanuit Kind en Gezin en het Vlaams Centrum voor Adoptie kunnen we alleen maar vaststellen dat interlandelijke adoptie gepaard gaat met grote onzekerheden en wachten. De vraag is dan of het, in zo’n delicate kwestie, nog ok is om dit te organiseren en hoe je dit dan het beste doet.

En zo komen wij terug bij de essentie van interlandelijke adoptie: een jeugdbeschermingsmaatregel waarbij we gezinnen zoeken voor kinderen. Terecht hebben we maatschappelijk deze zoektocht altijd gekoppeld aan de kinderwens van de kandidaat-adoptieouders. Een kinderwens van ouders is zo diepgaand, raakt aan fundamentele verlangens. Interlandelijke adoptie met alle risico’s en onzekerheden vandien zal hierop niet altijd het juiste antwoord zijn. Als toekomstige ouders hiervoor kiezen, dan zullen we dit blijven ondersteunen vanuit het wederzijds besef dat er onzekerheden en risico’s aan verbonden zijn.

Kind en Gezin draagt zijn missie hoog in het vaandel: voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is of opgroeit, zoveel mogelijk kansen creëren. We gaan dan ook graag het maatschappelijk debat hierover verder aan.

Katrien Verhegge, administrateur-generaal Kind en Gezin